De duur van een uitzending naar het Caribisch deel van het Koninkrijk is minimaal twee maanden, bij een korter verblijf gelden de bepalingen uit de cao voor buitenlandse dienstreizen. De maximale duur is 60 maanden (ofwel 5 jaar). Een uitzending met een langere duur dan 60 maanden is niet mogelijk; ook niet via een verlenging van een oorspronkelijk kortere uitzendperiode. Reden hiervoor is dat er voldoende binding moet blijven met Europees Nederland. Om dezelfde reden is het niet mogelijk om direct aansluitend aan een uitzending opnieuw te worden uitgezonden; ook niet naar een andere standplaats in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Als u na afloop van uw uitzending graag in het Caribisch deel van het Koninkrijk wil blijven, zou u ervoor kunnen kiezen om in dienst te treden van een (overheids)organisatie aldaar.
Er is één reden waarom er sprake zou kunnen zijn van een verlenging van de maximale uitzendduur van 60 maanden: in geval uw kind in het secundair onderwijs bij het einde van uw uitzending bezig is met het laatste schooljaar. In dat geval kan uw uitzending worden verlengd tot één maand na het eindexamen.
Als u bent uitgezonden als trainee in een traineeprogramma gelden de bepalingen in hoofdstuk 25 van de CAO Rijk niet maar worden de bepalingen toegepast die voor uitgezonden trainees zijn opgenomen in de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen (ACRU). Deze bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 3A en bevatten het voorzieningenpakket voor uitgezonden trainees, waaronder een eigen standplaatsvergoeding, huisvestingsvergoeding en vergoeding voor reiskosten op de standplaats (transportvergoeding). Bij het vaststellen van de hoogte van uw standplaatsvergoeding geldt de koopkrachtcorrectiefactor die is opgenomen in bijlage 18 van de CAO Rijk en niet een koopkrachtcorrectiefactor van de ACRU.
De bepalingen in hoofdstuk 25 gaan ervan uit dat u wordt uitgezonden vanuit Europees Nederland en daar na uw uitzending ook terugkeert. Als u in Europees Nederland geldt als grensarbeider, gelden de voorzieningen in dit hoofdstuk ook voor u. Uw verhuizing vanuit België, Luxemburg of Duitsland en weer terug wordt dan ook vergoed.
Om recht te hebben op de voorzieningen voor meereizende gezinsleden geldt – los van de voorwaarde dat daarvoor uw uitzending meer dan 12 maanden moet duren – ook dat zij met u meereizen vanuit Europees Nederland (of uit nabijgelegen buitenland als u grensarbeider bent). U heeft geen recht op voorzieningen voor gezinsleden die al in het Caribisch deel van het Koninkrijk wonen.
De voorwaarden rond uitzending vanuit Europees Nederland en weer terug gelden niet als u een werknemer bent met een internationale loopbaan omdat daarvoor in de cao onder andere is geregeld dat die ook vanuit een ander land mogelijk is.
Als zich geen bijzonderheden voordoen, zal uw uitzending niet korter duren dan afgesproken en vastgelegd in uw uitzendovereenkomst. De cao geeft de reden waarom uw uitzending wel vroegtijdig kan worden beëindigd. Naast deze redenen (waaronder op uw verzoek, disfunctioneren en arbeidsongeschiktheid wegens ziekte) is er een restcategorie “een andere reden”. Bij een niet in de cao opgenomen reden kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de bijzondere situatie dat het werk waarvoor u bent uitgezonden verdwijnt op uw standplaats of dat uw deskundigheid in Europees Nederland dringend gewenst is.
Vanwege de hoge kosten die met een uitzending gemoeid zijn, zal uw werkgever tijdens uw uitzending niet toestaan om minder dan 36 uur te werken of gebruik te maken van de PAS-regeling of een langere periode van IKB-spaarverlof op te nemen. Als u vanwege bijzondere omstandigheden wel toestemming krijgt om tijdens uitzending gebruik te blijven maken van de PAS-regeling dan heeft dat geen gevolgen voor de hoogte van uw vergoedingen en eigen bijdrage voor huisvesting.
Als u vanwege bijzondere omstandigheden toestemming krijgt om minder dan 36 uur te werken dan worden de vergoedingsbedragen in hoofdstuk 25 naar rato van uw verminderde arbeidsduur verlaagd. Hierop zijn enkele expliciet in de cao benoemde uitzonderingen: de hoogte van de verhuiskostenvergoeding, de vergoeding voor dubbele woonlasten en de vergoeding voor uitrustingskosten zijn niet afhankelijk van uw arbeidsduur.
Als u meer dan 36 uur werkt heeft dat geen gevolgen voor de hoogte van uw vergoedingen en ook niet voor de hoogte van uw eigen bijdrage voor huisvesting. Reden hiervoor is dat deze kosten niet toenemen vanwege het feit dat u meer werkt.
U heeft de mogelijkheid om een voorschot op uw uitzendvergoeding aan te vragen om de kosten te dekken die u bij aanvang van uw uitzending heeft. Dit betreft aanloopkosten zoals de borg die u bij het betrekken van een huurwoning moet betalen of het desgewenst aanschaffen van een auto of extra meubilair. U kunt een voorschot van maximaal € 15.000 aanvragen en dit ontvangen vanaf de maand voorafgaand aan uw uitzending tot uiterlijk in de tweede maand van uw uitzending. Voor uw voorschot hoeft u geen reden op te geven en ook geen betaalbewijzen van de besteding ervan. Het ontvangen voorschot wordt in een periode van maximaal 30 maanden verrekend met uw uitzendvergoeding.
In een voorbeeld:
U heeft vanwege uw uitzending van 24 maanden een voorschot van € 10.000 aangevraagd en ontvangen. Gedurende uw uitzending wordt uw uitzendvergoeding maandelijks met 1/24ste deel (€ 416,67) verminderd. Als uw uitzending 48 maanden zou duren dan wordt uw uitzendvergoeding maandelijks met 1/30ste deel (€ 333,33) verminderd.
Als u komt te overlijden als uw voorschot nog niet volledig is terugbetaald, zal dit zoveel mogelijk worden verrekend bij de eindafrekening. Dit houdt in dat het niet terugbetaalde deel van het voorschot in mindering wordt gebracht op de uitbetaling aan uw nabestaanden waarop u nog recht had, zoals vakantiedagen, IKB-budget en IKB-spaarverlof. Voor zover dit niet mogelijk is, wordt het voorschot kwijtgescholden. Het voorschot wordt nooit verrekend met de overlijdensuitkering aan uw nabestaanden omdat dit een afzonderlijke voorziening in de cao is.
Het kan voorkomen dat u voor uzelf of voor uw gezinsleden aanspraak kunt maken op voorzieningen van een andere regeling of organisatie waarop u vanwege hoofdstuk 25 van de cao recht heeft. Dit kunnen bijvoorbeeld vliegtickets zijn voor een reis naar Europees Nederland waarop uw partner recht heeft vanwege eigen werkzaamheden. In dat geval heeft u geen recht op de cao-voorziening daarvoor maar wordt van u verwacht dat u gebruik maakt van die andere voorzieningen.
Alle voorzieningen in hoofdstuk 25 van de cao worden netto aan u uitbetaald. De loonbelasting die eventueel hiervoor verschuldigd is, wordt door uw werkgever op basis van zogenoemde “eindheffing” afgedragen aan de Belastingdienst. U merkt daar niets van en ziet dat ook niet terug op uw salarisstrook.
De rijksbreed werkende shared service organisatie 3W (Wereldwijd Werken) die is ondergebracht bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, informeert u over de voorzieningen in hoofdstuk 25 en voert deze uit; inclusief de uitbetaling. Voor de uitvoering van deze werkzaamheden moet u 3W de daarvoor benodigde gegevens verstrekken op de door hen gevraagde manier en alle wijzigingen die van belang zijn voor de hoogte van uw voorzieningen. Welke gegevens en welke wijzigingen dit betreft laat 3W u weten bij aanvang van uw uitzending.
Als uw partner op grond van hoofdstuk 25 van deze cao is uitgezonden naar dezelfde standplaats als uzelf, dan bent u elkaars tandempartner. Voor de meeste voorzieningen geldt dat beide partners dan zelfstandig recht hebben op de voorzieningen; vergelijkbaar met de toekenning aan een uitgezonden werknemer zonder partner. Voor sommige voorzieningen (verhuizing – inclusief transport van uw auto, huisvesting en voorzieningen voor kinderen) geldt dat deze worden toegekend aan de tandempartner met het hoogste maandinkomen. Waar relevant geldt de tandempartner met het lagere maandinkomen voor de toepassing van de bepalingen over die voorzieningen als de meereizende partner.
Het komt voor dat een korte uitzending van maximaal 12 maanden wordt verlengd. Als uw uitzending daardoor meer dan 24 maanden gaat duren, dan krijgt u daardoor recht op alle voorzieningen die horen bij een lange uitzending zoals een verhoging van uw uitzendvergoeding voor gezinsleden die u tijdens uw huisvesting vergezellen, desgewenst transport van uw auto en uw huisvesting; indien van toepassing inclusief het recht op een door uw werkgever geregelde verhuizing van uw inboedel.
Bij deze wijzigingen worden voorzieningen die u vanwege uw korte uitzending al heeft genoten in mindering gebracht op de voorzieningen die horen bij een lange uitzending. Dit houdt in dat op de hoge verhuiskostenvergoeding en het verhuisverlof de reeds ontvangen lage verhuiskostenvergoeding en de week verhuisverlof in mindering wordt gebracht. Daarnaast worden vliegtickets die u voorafgaand aan de verlenging van uw uitzending heeft gebruikt, verrekend met uw recht op vliegtickets in uw nieuwe situatie.
In een voorbeeld:
U bent in augustus voor een periode van 10 maanden uitgezonden en in december heeft u uw recht op vliegtickets voor een reis naar uw gezin in Europees Nederland overgedragen aan uw partner die deze tickets heeft gebruikt voor een reis aan uw standplaats. Drie maanden voor het einde van uw uitzending wordt besloten uw uitzending te verlengen tot 36 maanden en zal uw partner u vanaf april op uw standplaats komen vergezellen. Omdat u uw vliegtickets voorafgaand aan de verlenging al heeft laten gebruiken door uw partner, heeft u vanaf augustus weer recht op vliegtickets voor een reis aan Europees Nederland. Voor uw partner gaat het zelfstandig recht op vliegtickets in vanaf de maand april.
Als u een verschil van mening heeft met uw werkgever over de toepassing van hoofdstuk 25 van de cao dan kunt u dat geschil – zonder tussenkomst van het RABA – voorleggen aan de geschillencommissie voor de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen (ACRU). Dit is dus een andere werkwijze dan bij geschillen die betrekking hebben op andere hoofstukken in de CAO Rijk. De reden hiervoor is dat het stelsel van voorzieningen rond uitzendingen complex is en dat de Geschillencommissie ACRU is gespecialiseerd in die materie en in de beoordeling van geschillen daarover.
De uitspraak van de Geschillencommissie ACRU is niet bindend: uw werkgever kan er met opgave van redenen van afwijken. In dat geval kunt u het geschil daarna ook nog aan de kantonrechter voorleggen (of ervoor kiezen het geschil aan de kantonrechter voor te leggen zonder tussenkomst van de Geschillencommissie ACRU). Aan de behandeling van het geschil door de Geschillencommissie ACRU zijn voor u geen kosten verbonden, maar als u gebruik maakt van een advocaat of een andere verlener van professionele rechtsbijstand dan zijn de kosten daarvan voor uw eigen rekening.
Er is voor uw werkgever een algemene afwijkingsbepaling om van bepalingen in hoofdstuk 25 af te wijken of deze niet toe te passen. Dit kan alleen als toepassing van de reguliere bepalingen vanwege uw omstandigheden zeer onredelijk zou zijn. Als er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden dan moet uw werkgever de beslissing om af te wijken inclusief de motivering waarom dit is, schriftelijk vastleggen. Deze werkwijze is nodig om een zorgvuldige toepassing en uitvoering te waarborgen van het complexe stelsel van voorzieningen rond uitzending en wordt tevens door de Auditdienst Rijk (ADR) gebruikt bij hun onderzoeken.